Bontje kroop al zijn hele leven rond in het donker. Vanaf het begin had hij gedaan wat zijn oudere broertjes en zusjes deden, die het weer hadden afgekeken van hun ouders, hun ooms en tantes. In de lange, donkere gangen hadden ze het grootste plezier samen. Het was er altijd knus en gezellig en in de late uurtjes vertelden zijn ooms spannende verhalen over lange graaftochten naar onbekend gebied. Dat gaf Bontje een gevoel van trots en met zijn grote graafpoten klopte hij zich dan in het donker op zijn kleine mollenborst.
Er waren ook andere verhalen, die hem angstige rillingen gaven. Er scheen een andere wereld te zijn die begon waar de grond ophield. Je wist dat je daar was aangekomen wanneer je poten ineens snel tegen je aan klapten. Bontje begreep het niet helemaal, maar dat hij er bang voor was wist ie wel. Want in die wereld was niets, het was volstrekt leeg op één ding na: gevaar. Zijn angst werd gevoed door een verhaal dat hem al vaak verteld was.
Oom Eduard, die hij nooit had gekend, was eens de weg ingeslagen naar deze onverbiddelijke leegte. Onverschrokken was hij zijn broertjes vooruit gesneld want hij wilde als eerste die onbekende wereld leren kennen. Vlak voor ze bocht omgingen hoorden ze Eduard nog opgewonden roepen: “Mijn poten vliegen!”. Daarna was het doodstil geworden. Ze zochten rond waar ze hem het laatst hadden gehoord, maar er was geen enkel spoor te bekennen. Bang gingen ze terug. Eduard was nooit teruggekeerd.
Toch knaagde er iets bij Bontje. Ondanks zijn angst dacht hij vaak aan Eduard en zijn avontuur. Er moest toch meer zijn dan het eeuwige donker. Er gebeurde nog iets. Als kind was Bontje veel aan het spelen met Sam de veldmuis en Marco de regenworm. In de puberteit veranderde dat, zodanig dat Bontje soms zelfs zin had om Marco op te eten. Hun vriendschap liep dus op een goede dag ten einde.
Jaren later, vol puberale overpeinzing, hoorde hij plots bekende stemmen. Het geluid kwam vanachter een dikke aarde wal dus hij spitste zijn oren en deed zijn best om te luisteren. Wat hij hoorde maakte zijn wangen rood van schaamte. Het waren Marco en Sam die het hadden over ‘hem’. “Wat is het mooi hier boven, duizend keer mooier dan die donkere gangen. Wat een ezels, die familie van Bontje, zich verstoppen met zichzelf het smoesje verkopen dat ze blind zijn”.
Meer hoefde hij niet te horen. Snel kroop hij terug naar zijn kamertje. Bedroefd en boos op zijn oude vriendjes. Maar ook verward. Blijkbaar spraken zij over de wereld van Eduard. Wat bedoelden ze met het smoesje dat hij en zijn familie blind was. Bontje voelde zich ontzettend dom. Dat vond hij helemaal niet leuk en hij zou wel eens bewijzen dat het niet klopte.
Die middag, toen iedereen zijn middagdutje deed, kroop hij stilletjes weg. Lange tijd volgde hij de hoofdgang die bekend en veilig was. Bij de splitsing twijfelde hij. In zijn hele leven was hij nog nooit naar rechts gegaan. Ondanks een huivering die hem deed rillen ging hij verder. De gang werd snel nauwer, het was duidelijk dat hier niemand ooit kwam. Al snel werd het vochtig en vaak voelde hij rare dingen snel wegschieten. Elke keer piepte hij van angst, maar omkeren deed hij niet. Toen raakte zijn neus de wand. Hij had het einde van de gang bereikt. Hier hadden zijn ooms Eduard voor het laatst gehoord.
Zijn hart bonsde in zijn keel toen hij met zijn voorpoten het laatste beetje zand weg begon te duwen. En toen… sloegen zijn poten in de lucht zonder zand te raken. Hij was in het niets! Een scherpe pijn schoot door zijn hoofd en telde zijn laatste momenten. In zijn onnozelheid was hij, net als zijn oom, zijn eigen ondergang tegemoet gedaan. Voor die stomheid werd hij nu gestraft.
Maar er gebeurde niets en de felle pijn werd langzaam minder. Tot zijn verbazing bemerkte hij dat zijn ogen open gingen. Voor het eerst in zijn leven. Het licht had hem overvallen, zijn ogen dicht gedrukt. Daar eenmaal aan gewend begon hij kleuren en vormen te zien, onbeschrijfelijk mooi. Met de kleuren werd zijn brein geopend voor de geuren en geluiden die net zo nieuw als ontroerend waren. In vervoering duwde hij zichzelf met zijn grove poten deze nieuwe wereld in. Dat wat hij immer had gevreesd, bleek zijn grootste genot te zijn. Dankbaar en opgetogen dook hij het lichte leven in.